Het Internet of Things, meer dan technologie.

Het Internet of Things, meer dan technologie.

Technologische generaties volgen elkaar snel op. Voor ons is het nog redelijk inzichtelijk dat een Near Field Communication, NFC tag op een pak koffie of een t-shirt een filmpje kan triggeren op mijn tablet of smarphone. Mijn telefoon heeft een NFC lezer. De tag wordt uitgelezen door de lezer in de telefoon. Mijn telefoon is altijd online. De NFC tag heeft een url gecodeerd in de chip en die url wordt opgeroepen op het moment dat ik de tag uitlees. Er wordt een webpagina aangemaakt uit een template (toets een willekeurig barcode nummer in Google en je vindt een pagina met het product en Like en Twitter buttons) of, als je ingelogd met in Facebook, een Facebook pagina waarop je in realtime kan zien wie in je netwerk ook van die koffie houdt, en hey als je nog twee kopers vind vandaag krijg je extra punten in Candy Crush Saga!

Wij kunnen dus nog snappen dat er een actie is, een reactie en een derde partij; een database die ons specifieke informatie stuurt. Laten we nu kijken hoe de volgende generaties hierop reageren. Ze groeien op met software in bijna al hun speelgoed en zullen zeker vroeger tablets hebben. Ze houden hun speelgoed of tablets tegen elk willekeurig object en er begint iets te spelen of er verschijnt een tekening op hun scherm. Ze groeien op in het volle besef dat alles iets triggert en kunnen zich niet meer voorstellen dat dat niet de normale gang van zaken is. Daarmee valt voor hun het besef weg dat het scherm, het ding wat iets doet bewegen en de realiteit volledig één zijn. Wij weten nog dat er een tag is die iets triggert. Voor hun is het feit dat iets wordt getriggerd een kwaliteit van het ding geworden, net als grootte, textuur, kleur, onlosmakelijk onderdeel van de realiteit. In een of twee generaties zal de wereld dus volledig beheersbaar en te scripten zijn, omdat zelf het vermogen tot het alternatief te zien volledig voorspelbaar is.

Ik (50) ben opgegroeid in een tijd dat computers en software volwassen zijn geworden als stand alone objecten. Tot in de jaren tachtig werd nog beweerd dat computers niet geschikt hoefden te worden gemaakt voor thuisgebruik omdat wij nooit thuis herinnerd zouden willen worden aan ons ‘werk’. Nu zijn ze alomtegenwoordig, in desktop computers, laptops, tablets en smartphones. De lijm die apparaten met elkaar laat praten en ervoor zorgt dat een actie (‘meet dit’) ook een reactie krijgt (‘temperatuur is 23 graden’) is software. Het is deze nieuwe taal – programmeertalen – die de filosoof Heidegger voorzag maar niet aankondigde noch wist of die te vermijden was of versneld moest worden. Hij zag dat er een fundamentele verschuiving plaats vond.

In de mechanica van de slinger zijn wij als mensen nog altijd aanwezig . We draaien een knop, we spannen iets aan, we schakelen. We zien wat er gebeurd en we kunnen de logica van elke stap volgen. We hebben als mens nog een redelijke mate van controle op het proces. Met software is het voor ons onmogelijk het hele proces te volgen. We moeten genoegen nemen met de output en kunnen die wel terug berekenen, maar ook daar zijn computers en software voornodig. Als je daar goed over na denkt dan is het eigenlijk onvoorstelbaar dat hier geen breed maatschappelijk debat over is geweest. Wie bouwt computers? Wie schrijft software? Wie heeft er welk belang bij? Al die vragen zijn nooit gesteld. Misschien kwam dat omdat we als individu het gevoel hadden dat we toch ergens aan het beginpunt van de keten zaten; wij gaven de computer een opdracht, we voerden een zoekopdracht in de browser in, we bouwen zelf applicaties en verzinnen zelf de diensten die we willen ontwikkelen. Omdat we ons ergens nog thuis voelden in het proces; als individuele opdrachtgever, konden we nog een beeld hebben van onszelf met een zekere agency. Maar eigenlijk waren we al met één voet aanbeland in het niemandsland waar Heidegger al geen agency meer in voor ons voorzag.

 

Met het Internet of Things (IoT) staan we volledig in ons onbekend terrein. Paradoxaal genoeg lijkt het ons juist meer handelingsreikwijdte te geven, veel meer data in realtime, veel meer data met betaalbare algoritmes die direct voor ons informatie bevatten, veel meer inzicht in mijn eigen gezondheid met allerlei apparaten die iets monitoren zoals de Fitbit en de slimme horloges, meer inzicht in hoe het huis het doet qua energie met de NEST en andere domotica, meer veiligheid en rust of ruimte of te werken in de zelfrijdende auto, meer inzicht door open data programma’s in hoe de stad en het land uiteindelijk echt georganiseerd is.

En toch voelen ons vaker onzeker. Dat is perfect verklaarbaar. We missen in deze volledig geautomatiseerde omgeving, lees een omgeving die zoveel mogelijk dingen ook digitaal kan benaderen of digitaal kan uitlezen, een helder moment van waar we zelf staan in het proces van communicatie en betekenisgeving. We weten niet meer wie wat waar bekijkt, uitleest, een handeling op uitvoert. Overal waar we staan in Nederland op elk willekeurig moment kan jij met je pas, met je jas, met je auto, in je auto, in je huis, met de aankoop van een pak waspoeder, iets in gang zetten en je weet niet wat. We wandelen echt in een woud vol tekenaren. We zijn zelf de tekens. En nee, het is geen sprookjesbos. Niet alles kan zomaar alles zijn. Het is geen magische wereld vol tovenaars en gezellige fijne spookjes. Elk ding heeft slecht één RFID of NFC code en slechts één IP adres. Het is dat adres dat naar een database gaat van een overheid of een bedrijf. In de database staan de handelingen , de acties die kunnen gebeuren; maak de deur open, geef deze klant korting, zet de temperatuur hoger om 16:00…..

Dat is nogal wat. Hoe heeft dit zo snel zo ver kunnen komen?

En wat is het eigenlijk? Internet of Things?

Er zijn twee manieren om het te beschrijven. Natuurlijk zijn er meer. Ik stel voor dat U nu the internet of things in Google of Startpage typt. U ziet dat het over alles lijkt te gaan; elk domein van home security, tot landbouw en retail; elke horizontale uitdaging van energie in batterijen tot smart grids, tot interoperabiliteit (kan mijn apparaat met jouw apparaat praten?) en open source, nieuwe business modellen en OTT, Over The Top spelers als Über, Helpling en AirBnB die platformen bouwen op open data of data die gebruikers zelf ter beschikking stellen, en discussies over UBI, Universeel Basis Inkomen als de enige oplossing voor de toename van robots in het arbeidsproces. Internet of Things bedreigt niet alleen banen in fabrieken, maar door de slimheid van de output (het verwerken van grote hoeveelheden data met steeds slimmere algoritmes, lees Big Data) staan banen als accountants en documentalisten in de gevarenzone. Dat wil zeggen; voor mensen. Het is niet zo dat we robots zullen zien lopen op kantoren. Nee, omdat de monitoring en transparantie van alle transacties radicaal ‘totaal’ is zal het idee ‘controle op’ gewoon verweven worden in alle stappen in de keten. Het is nu al een tijdje zo dat de Belastingdienst schotten moet bouwen in hun databanken, omdat ze nu al zeer veel kunnen zien wat wettelijk nog niet mag. Nu vullen ze al voor een groot deel of volledig uw aangifte in. Logischerwijs kan in een volgende stap elke inning of toeslag gewoon volledig automatisch gebeuren. Net als elke verkeersboete automatisch van uw rekening zou kunnen gaan. De vraag is natuurlijk wilt U dat? Maar ook heeft U nog iets te willen? Heeft U ooit nagedacht of geprotesteerd toen het hele land werd volgehangen met camera’s? Heeft U zich ooit afgevraagd of een ‘verbetering’ ook een echte vooruitgang was? Hoe voelt U zich op een station waar geen mens meer is maar alleen automaten? Nu betaalt u met een pasje, binnen een paar jaar betaalt U met uw telefoon. Gaat U dan nog überhaupt anoniem kunnen reizen, als U dat zou willen?

De eerste beschrijving om IoT te begrijpen kunt U zich het best voorstellen als een driehoek met twee tech-push ontwikkelingen en één sterke pull factor: onszelf. Nooit haalden we sneller de 1 miljoen verkochte apparaten factor dan bij de mobiele telefoon. Radio, tv, de desktop, het duurde allemaal veel langer. Er zijn landen met meer smartphones dan mensen.

RFID, Radio Frequency Identification, is één van de zijden van de driehoek. U weet wanneer de eerste barcode op een product werd bevestigd? 1974. Het voorbereidend werk was immens. De standaarden organisaties moesten iedere fabrikant, ieder domein en iedere fabriek overtuigen een deel van hun datastromen te delen. Waarom? Om gezamenlijk als makers van dingen onderdeel te zijn van een wereldwijd netwerk en zo logistiek afzonderlijk voordeel te halen uit het systeem. Er zijn twee nadelen aan de barcode. Alhoewel barcode scanners ook steeds slimmer worden is er toch vaak een ‘line of sight’ nodig. Zo zie je de kassière in de supermarkt vaak dingen draaien of toch het nummer intypen. Ook hebben duizend of tienduizend artikelen hetzelfde nummer. De barcode is niet uniek.

In 1999 kregen MIT onderzoeker Neil Gershenfield en mensen van het Auto-MID lab de RFID tag onder de penny cost; een magische grens voor massa productie. Zou het mogelijk zijn was hun punt dat we de barcode gaan vervangen door een RFID tag? Dan kunnen we elk product wereldwijd volgen. Hoe werkt RFID immers? U kent het van het de kaart die U krijgt in een hotel, of de kaart die U gebruikt op kantoor. Als U een OV kaart heeft dan weet u dat u de kaart op de scanner legt. In de kaart zit een antenne en een chip. De scanner of RFID lezer straalt radio golven uit die worden opgepikt op een specifieke frequentie door de antenne in de kaart (of in een T-shirt of kopje of bos bloemen – want de chip en de antenne hoeven natuurlijk niet onvermijdelijk in een kaart te zitten). Dat triggert de chip en de chip zendt een uniek nummer door. Dat unieke nummer wordt uitgelezen en doorgestuurd naar een database en verwerkt in programma’s die in de software van de lezer zelf aan het werk zijn. Hoe het signaal ook verwerkt wordt en komt een actie op vanuit de ‘achterkant’; de databank. Die actie kan van alles zijn. In dit geval; doe het hekje open (want er is nog genoeg geld op de kaart, of want dit nummer heeft toegang tot dit perron, of deze hotelkamer…) RFID is al verweven met onze dagelijkse handelingen, in ons paspoort, in de bankpas, OV kaart en de anti-diefstal systemen.

De derde zijde van de driehoek is IPv6. IPv6 is de opvolger van IPv4. IPv4 is het protocol dat het Internet doet draaien. Het is nog niet zo oud. In feite is het internet heel recent. Het is ontwikkeld als het ARPANET, een militair netwerk opgezet om bij een kernaanval niet alle informatie op één punt te verliezen. Er werd bedacht als we nu computers aan elkaar koppelen die continue alle data uitwisselen dan en stel dat je er vier hebt, dan is de kans dat ze allemaal tegelijk vernietigd worden erg klein. Het werd in handen van academici gegeven, die maakten email als de eerste applicatie. Begin jaren 80 waren er vier computers die draaiden met Ipv4. Er waren andere protocollen maar deze won omdat het zo’n elegant systeem is. Je verstuurt een boodschap, die wordt verdeeld in pakketjes en die worden weer verstuurd zonder garantie dat het ook aankomt. Het is niet perfect, maar het werkt. De ontwerpers werkten met grote desktops en konden zich gewoonweg niet voorstellen dat er meer dan 4 miljard unieke IP adressen zouden nodig zijn, omdat ze zich niet konden voorstellen dat er meer dan vier miljard van dit soort dingen op aarde zouden komen. En nu heeft iedere telefoon een IP adres en worde ze in koelkasten, auto’s, wasmachines, lampen (denk aan de Philips Hue)…ingebouwd. Er was dus een nieuw protocol nodig; IPv6. Met dit nieuwe systeem kan alles maar dan ook alles voorzien worden van een IP adres. Op de recente CES in Las Vegas, waar IoT is ontploft als aanjager voor de gehele IT industrie, zijn honderden startups met online dingen. Wat dit betekent? Dat alles wat u in huis heeft waar software in zit of in kan ook effectief een IP adres gaat krijgen.

Google speelt de hoofdrol in de tweede manier om Internet of Things te beschrijven en begrijpen. We breken dan de grote reikwijdte van IoT op in vier stukken: BAN, LAN, WAN, VWAN.

Het Body Area Network (BAN) is waar we de wearables van vandaag vinden. Een groeiende markt omdat alle stakeholders van gezonde tot zieke mensen, doctoren, mede-patënten of mede-hardlopers, verzekeringsmaatschappijen, en ziekenhuizen er baat bij hebben meer realtime data te hebben over uw gezondheid. Laten we het hier even niet hebben of U dat wil, dat is onderdeel van een breed maatschappelijke debat dat we gezamenlijk moeten gaan voeren. Dat BAN netwerk werkt technisch vooral met RFID, NFC en allerlei sensoren die temperatuur, beweging, hartslag… meten.

Het Local Area Network (LAN) vinden we in uw huis. Daar is de slimme meter de mogelijke interface of het mogelijk dashboard waar U ziet hoeveel energie uw apparaten gebruiken. Ook kunnen daar verschillende acties worden ondernomen,. Als er zoveel licht is, laat dan de rolluiken neer. Als Piet thuiskomt dan mag de magnetron aan. Met IPv6 in de nieuwe wasmachine is het mogelijk dat die zelf beslist wanneer te wassen als de energieprijs het laagst is. Ook kan je gemakkelijk zien hoe je huishouden scoort op energie efficiëntie ten opzichte van gelijkaardige gezinnen. Hier vinden we Bluetooth, GSM en Wi-Fi.

Het Wide Area Network (WAN) ook wel Telematics genaamd, beslaat het transport; de auto, de bus, en trein. Eén van de focusgebieden van fabrikanten is nu de Connected Car; een auto die niet alleen volledig online is van binnen met internet, schermen en allerlei apps, maar ook van buiten met sensoren om niet te botsen met parkeren, luchtvervuiling te meten en afstand te houden van andere voertuigen. In één EU pilot wordt bekeken of auto’s niet in packs kunnen rijden, d.w.z. met een lead auto die anderen ‘op sleeptouw’ neemt. Hier vinden we WIMAX (Wi-Fi netwerken over grote afstand) en GPS.

Het Very Wide Area Network (VWAN) is beter bekend als de Smart City of de Slimme Stad. In Rio de Janeiro levert IBM CISCO de burgemeester van de stad een ‘dashboard’ waarop hij alle datastromen gemeten met allerlei soorten sensoren te zien krijgt met daarboven ook wenselijke scenario’s en prioriteiten om actie te ondernemen. Overal ter wereld kloppen industriële consortia aan bij de grote steden. Wij installeren de sensoren en wij leveren de data, jullie doen er je voordeel mee want je krijgt realtime data over wat er in de stad aan het gebeuren is. Wat ze er niet bij vertellen is dat je de ruwe data – ook als ze van sensoren van de stad zelf komen – mengen met hun formats van hoe ze die ruwe data opslaan in een database. Die krijg je nooit meer ‘schoon’ terug’. Koop je eenmaal zo’n pakket van Microsoft Next, of IBM Cisco dan zit je daar voor de rest van je leven aan vast. En burgers? Die hebben met hun belastingen een organisatie genaamd – staat – gefinancierd om data te verzamelen en toch ook weer terug beschikbaar te stellen aan de burgers zelf (open data). En nu huurt die organisatie – de staat – weer een verzameling bedrijven in om met diezelfde open data nieuwe en oude diensten aan te bieden aan diezelfde burgers die nu voor een tweede keer moeten betalen.

Laten we nu eens kijken naar wat Google doet. Google heeft op elk terrein twee ingangen. Voor de BAN hebben de ze Glass en de Lens. Natuurlijk kan iets niet meteen aanslaan, zoals Glass en zal er wel snel een T-shirt komen, of een (broek)riem of een ring. En Glass kan binnen een paar jaar weer worden opgepikt. De slimme lens kijkt ook naar je bloedspiegel en kan interessant zijn voor suikerziekte. De data over je gezondheid die van deze apparaten komen worden netjes direct overgebracht naar de slimme thermometer, NEST, die Google kocht voor 2 miljard dollar omdat het Powermeter die hetzelfde wou doen niet echt aansloeg (LAN). Op dit punt heeft Google dus de beschikking over data van je meest intieme plaatsen, je eigen lijf en je eigen huis. Dan ga je ergens naar toe met de auto. Google heeft een eigen auto. Google zit in meerdere consortia van autofabrikanten. Via Youtube en Google diensten die niet afzonderlijk afkoppelbaar zijn (Google + Gmail…) zijn ze uiteindelijk in alle auto’s afwezig (WAN). Er is niet één bibliotheek die niet door Google wordt gesponsord. Droom je van een eigen open data project, Google mailt je de volgende morgen. Eric Schmidt, kerndenker bij Google, heeft prima ideeën over nieuwe vormen van besluitvorming in plaats van het democratisch falen dat we nu overal zien, maar hoe je het ook wendt of keert Google blijft een bedrijf dat op de beurs is en op elk willekeurig moment kan worden opgeschrikt door partijen die zich inkopen om heel specifieke redenen die tot nu toe niet het algemeen belang vooropstelden.

We zien dat die partijen die de schakels (gateways) tussen de vier netwerken in handen hebben de facto de nieuwe machthebbers zijn. Het zijn commerciële spelers met als doel winst te maximaliseren voor hun aandeelhouders. Is dit het einde van ons maatschappelijk project : de democratie?

Als eindgebruiker ga ik niet één provider inhuren om de data die belangrijk zijn voor mijn gezondheid en een andere om de dat van mijn huis van betekenisvolle diensten te voorzien en nog én om mijn mobiliteit te stroomlijnen, nee, ik ga een fixed fee betalen aan die partij de mijn het gehele scala aan diensten kan leveren. Vroege heette dat: belastingen betalen aan een staat in een samenleving waar ik middels stemrecht een klein onderdeel van kon zijn. Ik ga ook geen auto of wasmachine meer kopen. Leasen is het logische business model in IoT, want aan elk object zijn sensoren verbonden en een data verbinding die of even lokaal data opslaat (Fog) of direct data doorstuurt naar een online verbinding (Cloud). Als er iets kapot gaat moeten die drie partijen (diegene die de wasmachine maakt hoeft niet diegene te zijn die de sensoren maakt en levert en dan is er nog de kans dat er iets met de verbinding misgaat) er zien uit te komen.

Dit leidt tot een situatie waarin burgers steeds meer diensten niet meer bij de staat, maar steeds meer bij een parallelle laag halen die de meerwaarde die ze verdiend niet lokaal investeert.

Ik schat dat deze situatie binnen tien jaar voor een grote kloof tussen mensen die slimme diensten kunnen betalen en zij die dat niet kunnen zal leiden. Het zou nog sneller kunnen gaan.

Op een dag nog net voor de eeuwwisseling vind ik ergens in een mail een aankondiging van een Conferentie in Jönschoping van een of andere groep die later onderdeel bleek te zijn van een EU onderzoeksprogramma i3, Intelligent Information Interfaces. De Conferentie heette Building Tomorrow Today.

Als ik aankom is het vrij fris. Ik heb loopschoenen bij me en besluit toch maar ’s morgens rond dat meer daar te gaan joggen. Er is mist, ik loop op een mossig paadje naast het water. Er is helemaal niemand. Meer mist. Nu ook over het water. Het ziet er geweldig mooi uit. Ik proef bijna de dauw op de takken. Het leek me niet onjuist om op dit pad een afslag te vinden naar de open plek in de bos, aletheia,zoals de Ouden er over verhalen, de open plek in het bos waar het vermogen tot het zijn zelf van betekenis moet leven. Ook zie ik in een flits bijna in het midden van het meer een blinkend zwaard recht uit het water omhoog schieten zonder enig schuim of rimpeling. Zo hoort het denk ik en ik strompel – want ik ben geen loper – verder.

Bij de registratie zie ik Cathy Brickwood. Ze is directeur van het Virtueel Platform is was net zo geïntrigeerd als ik door deze Conferentie maar ze kende al wel wat mensen en wist het al iets beter te plaatsen. Ik verlies haar uit het oog bij de demonstraties van smart homes, smart work, smart health en smart van alles. Ik schuif aan in de grote zaal en wacht met een man of honderdvijftig, tweehonderd op de openingsspreker. Later besef ik dat dit de crème de la crème is van de Europese computerwetenschappers en ingenieurs. Zij staan aan de wieg van wat nu Internet of Things heet en toen nog ubiquitous computing of pervasive computing of ambient intelligence. We lopen daar nog voor als EU. Time Magazine plaatst een artikel over Things That Talk en de Europese projecten. Maar dat weet ik dan nog allemaal niet. Ik weet niets. Ja, ik had een artikel gelezen over RFID van Charlie Bertsch in Wired maar dat was het zo’n beetje. Mijn achtergrond ligt in literatuur, hypertext en interactieve media en kunsten.

In mijn wereld, mijn hele leven lang, is alles met alles verbonden. Ik praatte met mensen lang voor het world wide web. Nu mail ik ze gewoon, dat is wat sneller. Ik omarm geen boom, maar kan een boom wel snappen denk ik. Ik leef altijd in een tussenruimte, daar waar tussen de dingen en de mensen mogelijkheden ontstaan. Mogelijkheden die onvervuld kunnen blijven, half waar zijn of niet eens een kwart waar, of toch stiekem op radicaal andere wijze kunnen uitkomen. Het laatste wat er in die tussenruimte leeft is eenduidigheid. Eenduidigheid leeft in de dingen (ja, ik wil ook dat mijn wasmachine het doet) of in de mensen (nee, ik wil ook niet overvallen worden en als dat gebeurd wil ik dat mijn overvaller middels zo objectief mogelijke wetten wordt vervolgd), maar het is van levensbelang dat er een tussenruimte is waar de randvoorwaarden van al dat was , is en zal zijn open zijn, meerduidig en zelfs onduidelijk of onbegrijpelijk.

U snapt dan ook dat aan de grond genageld zit als de eerste spreker opkomt en zegt: Jongens, over een jaar of tien hebben jullie allemaal en Bluetooth ring. Je loopt in het bos. Je wilt iets wat over die interessante boom daar. Je richt je ring op de boom en look, a screen will pop up and tell you everything you need to know about that tree.

Ik weet eigenlijk niet meer goed wat ik deed of dacht, maar ik was misschien wel voor het eerst in mijn leven me bewust dat er een absolute vijand was en dat ik die hier zag. In het denken van Carl Schmitt staat het vriend-vijand denken centraal. Er zijn twee soorten vijanden. De Wirkliche Feind is de echte objectieve vijand, herkenbaar en gemakkelijk bevechtbaar in concrete situaties. De Absolute Feind is ‘die eigene Frage als Gestalt’, en wie gaat er nu ooit van uit dat je dat letterlijk meemaakt? Voor mij werd het voor mij onuitspreekbare uitgesproken. Wij gaan die tussenruimte, die open plek in het bos volbouwen tot er maar één mogelijk antwoord uit kan komen, dat wat wij precies willen horen. Alsof alle poëzie in een vreugdeloos vuur verbrand werd. Ik was erg van slag en eigenlijk ben ik dat nu nog altijd. Ik kan het niet anders zien als een aanslag op dat wat fundamenteel menselijk is. Twee minuten later zie ik natuurlijk glashelder dat mijn soort intelligentie ook niet het alleenrecht op de waarheid heeft. Wat ik meemaakte was dat er twee pure uiteinden van soorten intelligenties tegenover elkaar stonden. Of ja, eigenlijk niet tegenover elkaar. De spreker had het gelijk aan zijn kant en de toekomst en honderden ingenieurs, computerwetenschappers en designers (want I3 was erg goed opgezet met echte scholen, kunstenaars en ontwerpers en etnografen) en ik, zat daar maar in het publiek stilletjes te sterven.

De Slimme Stad zat als concept al in dat voorbeeld van Bluetooth en de ring in het bos vervat. Wat is de essentie? Er is een man met een slinger. Steeds meer onderdelen van die slinger krijgen een mechanische component. Er komt een punt dat er minder handenarbeid dat altijd minieme afwijkingen heeft, nodig is en meer machines die steeds perfect hetzelfde effect bereiken met eender welk materiaal. Die machines moeten goed worden verzorgd en ze worden ondergebracht in fabrieken en clean rooms, volledig stofvrij. In de afgelopen eeuw zijn deze ruimte uit-geoptimaliseerd, niet één proces kan nog beter, sneller, och ja er zijn nog procenten te halen met pre-predictive maintenance, dat wil zeggen het nog juister voorspellen wanneer een machine het zal begeven, maar laten we eerlijk zijn, daar valt geen eer aan te behalen. En nu elke gesloten ruimte niet meer efficiënter te maken valt, richt de blik van de wil tot controleren zich op de open ruimte – de gaten tussen de gesloten omgevingen – het ooit volle, ware, blije, heerlijk juichende (ik overdrijf) gewoon alledaagse leven. Dat kan toch veel efficiënter? De slimme stad is het speerpunt in deze mentale operatie. Het speelt zich echt voornamelijk in ons hoofd af. Voordat de slimme stad waarin alles wordt gemonitord immers een feit kan worden, moeten wij als burgers eerst stilletjes gaan geloven dat het alledaagse leven net zo geregeld kan worden als de productie van dingen in een fabriek. Wij moeten eerst onszelf verdinglijken, ook al klinkt dat wat opgesmukt. Toch is dit precies wat er aan de hand is. Als we niet eerst zelf vragende partij zijn voor meer regulering kan de slimme stad niet als een ‘oplossing’ daarvoor worden gezien. En ze moet toch een oplossing voor iets zijn, waarom zouden we er anders zoveel geld aan besteden?

In Midwhich Cuckoos beschrijft John Wyndham hoe in een dorp in het zuiden van Engeland op hetzelfde moment alle vrouwen zwanger zijn. Negen maanden daarvoor gebeurde er iets vreemds. Er bleek een onzichtbare maar ondoordringbare koepel rond het dorp te liggen waar iedereen een dag lang in diepe slaap was verzonken. De kinderen worden geboren en wat zijn ze mooi en sterk. Er is een filosoof in het dorp. Het valt hem op dat de kinderen erg aan elkaar hangen. Het lijkt wel of alle meisjes samen reageren als één meisje. Bij de jongens van hetzelfde laken een pak. Hij begint er beter op te letten en ja hij stelt vast dat als één meisje iets leert, alle meisjes diezelfde vaardigheid blijken te bezitten. Ze zijn telepathisch en communiceren op een manier die onze middelen ver te boven gaan. Om een lang verhaal kort te maken en een prachtig verhaal van alle morele overwegingen van onze filosoof, op een dinsdag rijdt hij een vrachtwagen vol explosieven naar hun boerderij en blaast zichzelf met hen op. Het is de enige uitweg die hij ziet. Hoe kan een samenleving die opgegroeid is met een begin, een midden en een eind; een sprookje en zo traag is als de zwakste schakel een intelligentie die samen denkt en leeft? Dat is volslagen onmogelijk. En nu worden wij dagelijks geconfronteerd met deze situatie die in de jaren vijftig alleen nog als science fiction gedacht kon worden. Helaas kunnen wij de gehele jeugd van tegenwoordig niet opblazen. Met sociale media, wearables en nog meer sensoren die realtime data gaan distribueren zijn we aanbeland in een situatie zoals beschreven door John Wyndham. Iedereen die opgegroeid is in het web snapt niets van zijn of haar ouders, van de wereld op zich, van de gescripte en onnatuurlijke complexiteit van die wereld die niet klikbaar is en waar niet alles samenwerkt of API’s heeft.

Alle kwaliteiten om positief te gaan werken met de connectiviteit in Internet of Things zijn aanwezig. Een generatie Millennium die niet bang is van de samenhang, die begrijpt dat de wereld en de politiek als een georganiseerd netwerk – een platform – moet opereren, die lokaal wil investeren in waarde (zie de G1000’s, de explosie van buurt initiatieven, Peerby, thuisafgehaald.nl, die snapt dat leasen het logische business model is in een wereld waar apparaten online zijn (autodelen.nl, deelauto.nl, meolease.nl voor wasmachines…) en die bereid is na te denken over privacy als privacies, profielen van jezelf die samenhangen met activiteiten die je doet. Ik ga winkelen, dan zet ik dit profiel op mijn telefoon en ben ik zo aanspreekbaar en zo niet.

Als we Internet of Things maatschappelijk met zoveel mogelijk stakeholders uitdenken dan kunnen we Nederland zien als een platform met de grootte van een Chinese middelgrote smart city die nu worden gebouwd. Nederland is altijd sterk geweest in het juist op tijd vervellen van organisatorisch model. Daar is altijd onze rijkdom en welvaart, en daaraan gekoppeld breed sociaal project aan te danken geweest.

Het is tijd voor een breed maatschappelijk debat.

Eén ding is zeker. We kunnen niet terug.

Rob van Kranenburg is oprichter van Council, theinternetofthings.eu en 9 april, Internationale Internet of Things Dag, iotday.org, 9 April.

kranenbu at xs4all.nl

Published in: on January 30, 2015 at 2:37 pm  Leave a Comment  

The URI to TrackBack this entry is: https://robvankranenburgs.wordpress.com/2015/01/30/het-internet-of-things-meer-dan-technologie/trackback/

%d bloggers like this: